Back to Top
Thursday 27 Apr
85882 users - now online: 1479 people
Gay News : Publications : Issue 150 : Boudewijn Büch's en de homopers

Printer Friendly Page  

Boudewijn Büch's en de homopers

by Hans Hafkamp , 18 maart 2004


Op 13 december jongstleden vond de Tweede Internationale Büchdag plaats in de Centrale Openbare Bibliotheek te Amsterdam, georganiseerd door het Gezelschap Büchmania. Tijdens deze bijeenkomst werd de tweede uitgave van dit genootschap gepresenteerd: "Doch gedenk steeds Uwe majesteit. Boudewijn Büch & Gerard Reve," geschreven door Hans Hafkamp. Ter gelegenheid hiervan hield hij een lezing hield over Büch's medewerking aan de homopers, die we hier in een bewerkte versie afdrukken.

Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Aspekt Boudewijn Maria Ignatius Büch: Een overzicht van zijn werk, samengesteld door Frans Mouws. Ondanks de 348 bladzijden die dit boek telt, is het bij lange na niet compleet. Mouws geeft dat in zijn verantwoording ook toe door een uitspraak van Eric J. Schneyderberg tot de zijne te maken: "Het is nimmer de bedoeling geweest een compleet overzicht in welke vorm dan ook te bewerkstelligen."

Wat Mouws hierbij echter niet in ogenschouw neemt, is dat Schneyderberg antiquaar is en zich dus altijd heeft bezig gehouden met wat in eerste instantie verkoopcatalogi zijn (zijn De verzamelaar verzameld: Boudewijn Büch 1948-2002 (2003) bevat niet voor niets als losse bijlage een prijslijst). De opdracht die een bibliograaf zich dient te stellen verschilt principieel van die van een antiquaar. Een bibliograaf moet namelijk wél een zo compleet mogelijk overzicht samenstellen van het oeuvre van zijn onderwerp, en dat zo precies mogelijk beschrijven.
Een bibliograaf dient zich verder te allen tijde te onthouden van kwalitatieve uitspraken. Mouws meent desondanks rustig te kunnen schrijven dat Büch's columns in Nieuwe Revu "bijna altijd van een - inhoudelijk - lage kwaliteit" waren en dat hij ze daarom niet heeft opgenomen.

Mouws vermeldt daarentegen wel een aantal bijdragen die Büch in de jaren 1964-1965 leverde aan de schoolkrant. Maar schoolkranten werden en worden merendeels volgeschreven door mensen van wie later niets meer wordt vernomen.



Dat Büch de eerste min of meer officiële bouwstenen voor zijn omvangrijke oeuvre aan het eind van de jaren zestig in een homotijdschrift legde, is Mouws echter ontgaan, zoals hij ook Büchs latere medewerking aan de homopers niet heeft gebibliografeerd.

(Schijn)tolerantie

In de jaren zestig vond er een aardverschuiving plaats in het denken over homoseksualiteit. Tot die tijd werd homoseksualiteit vooral als een afwijking beschouwd en door sommigen zelfs als iets crimineels gezien. Hierdoor gaven homo's er de voorkeur aan in de anonimiteit te leven. Zelfs de voormannen van de emancipatiebeweging werkten onder pseudoniem. In de eerste helft van de jaren zestig ging men homoseksualiteit langzaamaan als een seksuele variant zien die even veel recht op bestaan had als heteroseksualiteit.

Als gevolg hiervan verschoof de discussie van spreken óver naar spreken mét homo's. De belangenvereniging COC sloot hierbij aan met de oprichting van het tijdschrift Dialoog, zo genoemd omdat het de dialoog van homo's met de buitenwacht wilde bevorderen. Het eerste nummer verscheen in januari 1965.
Al in 1967 hield Dialoog op te bestaan. Een belangrijke reden voor de stopzetting was het feit dat het maatschappelijk debat over homoseksualiteit niet had stilgestaan. Steeds meer homo's hadden er geen enkele behoefte aan zich tegenover de "anderen" te verdedigen.



Vooral in de studentenwereld ontstonden groepen die het COC veel te ingetogen vonden en ervoor kozen strijdvaardig de barricaden op te gaan. Deze groepen verenigden zich in de Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit, de FSWH. Deze federatie gaf vanaf 1968 het tijdschrift Proefding uit. In het colofon hiervan lezen we: "De oorspronkelijke doelstelling van de Federatie van Werkgroepen Homoseksualiteit is het doorbreken van de bestaande (schijn)tolerantie ten opzichte van homoseksualiteit, en deze te doen plaatsmaken voor daadwerkelijke integratie van homoseksualiteit in de maatschappij.

De werkgroepen zien homoseksualiteit als een probleem van de maatschappij - zoals de maatschappij zovele vormen van 'afwijkend' gedrag tot probleem gemaakt heeft. Dit probleem kan pas fundamenteel worden opgelost door die maatschappij te veranderen."
Als in december 1969 het achtste nummer van de eerste jaargang verschijnt wordt de redactie aangevoerd door Boudewijn Büch. Büch heeft zelf uitvoerig over de homoseksueel-maoïstische fase van zijn leven bericht in Links! Een rode burleske uit 1986.

En in één van zijn Brieven aan Mick Jagger schrijft hij: "Ik ben redacteur van het in Nederland landelijk verspreide en goed aangeschreven maandblad voor homoseksuele emancipatie Paars plezier. Voor dit blad zou ik u graag een interview afnemen. [...] Het lijkt mij interessant met u te spreken over de tekstvariant die u heeft aangebracht in het laatste couplet van Honky tonk women. U zingt op uw elpee Get yer ya-ya's out heel wat anders dan op de langspeler Through the past darkly. Op Ya-ya geeft u naar mijn mening duidelijk blijk van uw homoseksualiteit in de regels: 'The sailor's they're so charming there in Paris, but they just don't seem to sail you off my mind.' Over deze tekstvariant heb ik onlangs op het landelijk congres van de Studentenbond Homofilie een lezing gehouden en iedereen was het met mij eens dat u met het zingen van die regels duidelijk aangeeft een homoseksuele voorman te willen zijn. Laat ik mijn brief besluiten met u [...] een hartelijke groet over te brengen van de afdeling Studentenbond Homofilie in mijn woonstad."

Ons-kent-ons

Het hier genoemde Paars plezier heeft nooit bestaan en het interview met Jagger heeft pas veel later plaatsgevonden en ging niet meer over diens positie als homoseksuele voorman. Maar wel verschenen er in Proefding twee bijdragen ondertekend door Boudewijn Maria Ignatius Büch. In december 1969 schreef hij een verslag over het FSWH-congres dat in oktober van dat jaar in Amsterdam was gehouden. Hieruit blijkt dat iedereen elkaar kende, want er worden haast uitsluitend voornamen gebruikt. En ook verder valt dit congresverslag vooral op door het ons-kent-ons-toontje.

Zo schrijft Büch in de eerste alinea: "Het was erg warm. [...] Sommige viezerds vergaderden dan ook in hun blote bastjes. Ik ken hun namen, maar om ze te beschermen zal ik ze niet noemen." In het kader van de in Links! beschreven toestanden, is het ook aardig te citeren wat Büch over de politieke standpunten van de FSWH schreef: "Guus hield een ingelaste Sekspol-toespraak. Uiteindelijk, zei hij, zal de seksuele emancipatie-beweging aansluiting moeten vinden bij die politieke organisaties die het systeem zelf willen veranderen. Marius Vroegindeweij (Leiden) was het daar niet helemaal mee eens. Hij mocht niet uitpraten, want er kwam pauze."

En onder het kopje "Program van aktie" berichtte Büch ondermeer: "En weer praatte men over links en rechts. We zijn in ieder geval niet rechts geworden." Hij besloot zijn artikel met een persoonlijke ontboezeming: "Het was erg vervelend. Geen echte fijne kritiek. Wel lieve mensen. Het duurde zo lang. Ik was zo erg moe op 't laatst. We zijn in de middagpauze met een paar lieverds hand in hand naar de Dam gelopen. [...] Maar als je de volgende keer komt is alles veel beter. Ik trek een fijn bloesje aan. Ik zal veel verstandige dingen vragen."



In verband met latere ontwikkelingen is vooral een opmerking aan het begin van dit stuk interessant. Büch schreef: "Ben en Joke zijn de eersten die wat zeggen."

Joke is Joke Swiebel, die bestuurslid was van de FSWH en ook enige tijd in de redactie van Proefding had gezeten. Later zou ze bestuurslid worden van het COC.

In deze hoedanigheid kreeg ze in 1971 tijdens een bijeenkomst op de Katholieke Hogeschool te Heerlen een ontzaglijke aanvaring met Gerard Reve.

Swiebel had namelijk betoogd dat "de vrije keuze tussen verschillende relatievormen positief gewaardeerd [moet] word[en]. [...] Het is kwalijk dat je onder homo's nog vaak die hang naar Vaste Vriendschap tegenkomt. Het is imitatie van het huwelijk."

Met deze opvatting was Reve het totaal niet eens. In een geruchtmakend interview dat Büch hem voor Het Parool afnam, kwam Reve twaalf jaar later nog eens op deze discussie terug. Gevraagd naar zijn aanvaring met Swiebel zei hij: "Joke Swiebel zei, dat ze nog helemaal niet wist of de altijd durende, onverbrekelijke verhouding tussen twee mensen normaal is. Een heel legitiem standpunt maar niet aan de orde. Dat soort mensen als Joke Swiebel verdient het om opgeveegd te worden en doodgeknuppeld te worden in een concentratiekamp. Joke Swiebel en dat soort mensen; dat zijn de vijanden van de vrijheid en de tolerantie. Met te zeggen 'doodgeknuppeld in een concentratiekamp' ga ik helemaal niet te ver." Waarna hij nog een aantal alinea's voorttiert.

In zijn "Afscheid van Gerard Reve" In De Tijd van 4 februari 1983 schreef Boudewijn Büch naar aanleiding van deze tirade dat "over Joke Swiebel [...] gezegd [moet] worden dat geen verwijt door Reve aan haar adres gemaakt gerechtvaardigd is. Ik heb zelf enkele jaren met Joke Swiebel samengewerkt en heb haar, zelfs met de grootste moeite, nog geen boete van vijfentwintig gulden kunnen of willen geven."

Boys in the Band0


Het tweede artikel dat Büch in Proefding publiceerde is interessanter als achtergrond bij zijn latere werk. Het verscheen in het volgende nummer dat "Maart 1970" is gedateerd en draagt de titel "Jongens, bedonder elkaar!" Het is een bespreking van het toneelstuk The Boys in the Band van Mart Crowley. Lezers van Links! kennen Büch's opvattingen hierover al. Op een gegeven ogenblik organiseren Boudewijn en zijn kompaan Sirius protesten tegen dit toneelstuk "Omdat het godverdomme een stelletje nichten laat zien à la Albert Mol. Nichten moeten geen roze lachebekjes zijn, maar strijdbare, linkse mannen!"

In een artikel over Boudewijn Büch dat Menno Voskuil aan Gay 2004 bijdroeg, meldt hij dat deze protesten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat Büch er zelfs het Leidsch Dagblad en Het Vaderland Weekjournaal mee haalde. Zijn oordeel in Proefding is dan ook bepaald niet mals. The Boys in the Band speelde toen klaarblijkelijk in twee verschillende versies in Nederland, namelijk bij Toneelgroep Centrum en bij de Haagse Comedie, waar Henk van Ulsen er een rol in speelde. Büch heeft beide uitvoeringen gezien in gezelschap van "een erg schattige jongen."

Na een aantal inleidende opmerkingen, begint hij zijn bespreking met de mededeling: "Ik zou zo graag een lief stukje schrijven. Dat schijnt niet te kunnen. Ik word zo vreselijk kwaad." En dan komt hij werkelijk los: "Je kunt een slecht toneelstuk beter niet in een Nederlandse situatie verplaatsen. Centrum heeft dat wel gedaan. En een zooitje super barnichten op de planken gezet. Het publiek kroop over de grond van de lach.
'Ze kussen elkaar!' 'Net wijven, moet je zien!' Nou, dat hebben die gefrustreerde bedelapen precies altijd gewild en gedacht. Homoseksuelen zijn nichten, zijn flikkers, zijn net vrouwen. En ik heb ook gelachen. Maar dat kan ik toevallig doen.

En dan in Den Haag. 't Was veel minder nichterig, dat wel. Je begreep niet precies die Amerikaanse toestanden. Het Haagse publiek vermaakte zich. Al was het alleen maar om die paar kusjes die er gegeven werden. Maar de Hagenaars lachten in hun marmeren kitschbunker, die Koninklijke Schouwburg heet. En dat komt daar weinig voor Ze weten nu in ieder geval precies dat homoseksuelen gestoorde, verwijfde types zijn."
"Ik maak me zo kwaad," vervolgde hij. "En Mart Crowley, de schrijver van The Boys in the Band is een klootzak. Hij schrijft een slecht toneelstuk en doet voorkomen alsof iedere homoseksueel zo ongeveer gestoord is. Wie weet is dat wel zo in Amerika."

Na een aantal kanttekeningen bij opmerkingen in het programmaboekje van Centrum en in de dagbladpers, gaat hij nader in op een recensie van mede-FSWH-lid Leo van der Torre, die had geschreven dat dit toneelstuk "hetero's onmisbare informatie verschaft over problemen, waarmee veel homo's tóch nog te maken hebben." Waarop Büch uitroept: "dan kan ik wel huilen, de hele nacht. Alleen in mijn bed." Naar aanleiding van Van der Torre's opmerking: "Homoseksualiteit is een probleem van de hetero's, niet van de homo's," sneert Büch: "Met deze kirrende relnichten hebben hetero's (wat een rotwoord eigenlijk) niks te maken. En als het publiek nou zo graag van die giechelnichten wil zien, dan weet ik nog wel een paar bars in Den Haag en Amsterdam voor ze. Kunnen ze véél meer lachen. Tot de nichten hun strot uitkomen."
Aan het slot keert hij nogmaals terug naar de auteur: "Mart Crowley moesten ze in een hok stoppen en Finnegans Wake laten vertalen. Heeft hij voorlopig geen tijd meer om van dat gesodemieter te schrijven."

Ode aan Isherwood

Waarschijnlijk hield Proefding na dit nummer op te bestaan, mede omdat de opkomende generatie flikkers de FSWH niet radicaal genoeg vond. Proefding was het eerste landelijke Nederlandse homotijdschrift dat niet officieel aan het COC was verbonden, hoewel het wel mede door deze organisatie werd gefinancieerd. Of Büch zich in de daarop volgende jaren nog in de homopers gemanifesteerd heeft, is onduidelijk. Wel begon hij nu serieus te werken aan zijn carrière in de Nederlandse letteren. In 1976 debuteerde hij als dichter met Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs en begon hij zijn opmars in een groot aantal dagbladen en algemene tijdschriften.



In 1980 deed hij echter weer in de homopers van zich horen. Toen verscheen in het COC-blad Sek onder de titel "Ik houd van Uw werk" de toespraak die hij op 5 juli 1980 had uitgesproken bij gelegenheid van een bezoek van Christopher Isherwood aan Nederland. Over de banden van deze auteur met Amsterdam heeft Büch geschreven in Literair Omreizen. Een idioticon. In zijn toespraak hief hij vooral een loflied aan op het feit dat Isherwood al vroeg openlijk voor zijn seksuele voorkeur uitkwam. Zo schreef hij ondermeer: "Ik behoor tot een generatie die slechts een achterhoede gevecht heeft moeten leveren. Mijn generatie heeft weliswaar de bevrijding van de homoseksuele mens moeten bevechten, maar Christopher Isherwood's generatie heeft de plaats van de homoseksualiteit - letterlijk - op leven en dood moeten bevechten.

Mijn generatie - inclusief ik zelf - kan onbekommerd discodansen en met jongens het bed delen. Christopher Isherwood heeft de tijd meegemaakt van achteraf-straatjes, louche bars en de expliciete onderdrukking van de homoseksuele liefde. Ondanks dit alles heeft Isherwood er in een vroeg stadium onbekommerd en zonder terughoudendheid over geschreven. [...] Isherwood leverde een grote bijdrage tot de verheffing van homoseksualiteit van ziekte tot een volwaardige variant van het liefdeleven. Zijn romans ontstijgen daarmee het zuiver literaire belang; zij zijn óók boeken van een immens maatschappelijk belang."

Iets verderop in zijn betoog richtte hij zich rechtstreeks tot Isherwood: "Mijnheer Isherwood, ik mag als Nederlandse homoseksueel niet Amerika binnen. Omdat de Amerikaanse douane 'homoseksualiteit' tot een 'perversie' rekent. U bent al sedert tientallen jaren een Amerikaans staatsburger. Ik hoop dat ze U straks toelaten. Maar ongetwijfeld zullen ze U toelaten! Omdat U een groot schrijver bent. Meer dan een homoseksueel." Büch besloot zijn ontboezemingen met het citaat van Mick Jagger over de betoverende matrozen in Parijs (dat hij ook in zijn brieven aan hem gebruikte) en de uitroep: "Mijnheer Isherwood. Ik zou willen dat U mijn vader was geweest."

Scheldcriticus

Büch's laatste bijdrage aan een homotijdschrift is van een heel ander kaliber. In maart 1980 vroeg hij zich in Homologie af: "Kunnen nichten dichten?" Deze vraag was ingegeven door de bundel Sextetten voor Siem van Arnold Spauwen en werd in diens geval ontkennend beantwoord. Büch had zich aan het eind van de jaren zeventig faam verworven met zijn "kwajongenskritieken" in het tijdschrift Hollands Diep. Met zijn bijdrage in Homologie deed hij zijn naam als scheldcriticus alle eer aan.

Hij begon zijn recensie met de constatering: "Dat homoseksuelen dom en oppervlakkig zijn, dat is bekend. Dat de meeste nichten het beroep van kapper, profiteur, geflipt balletdanser of televisie-omroeper uitoefenen - is nog meer bekend. Dat elke poot in een lellebellen-interieur woont, operette-platen draait en met zijn kont wiegt - dat weet iedere rechtgeaarde heteroseksueel.
Al deze, let wel: fulltime-heteroseksuele, vooroordelen zullen wel zolang duren als Arnold Spauwen zal blijven schrijven. Want dat nichten akelig zijn... tot dat waanidee levert Spauwen een overtuigende bijdrage.
Een nicht is kitscherig. Denkt men. Ik niet. Dat nichten niet kunnen schrijven - dat is godverdomme niet waar! Ik zou bijna zeggen... (neen! Zulks heet ijdelheid).
Maar Spauwen is één en al kitsch. Spauwen kan, daarbuiten, niet schrijven en niet dichten. Spauwen is een blamage voor de homoseksuele letterkunst. [...] Zijn boekjes zouden niet mogen verschijnen."

Na deze inleiding haalde Büch een citaat aan van zijn alter ego, "de grote Italiaans-Poolse dichter Lothar Mantoua", bekend uit zijn andere werk, en lichtte hij Spauwen's dichterlijk doopzeel. Om te eindigen met een vernietigend oordeel over Spauwen's bundeltje. Hij besloot dit met de uithaal: "Misschien vindt Siem het mooi. Van mij mag hij. Maar aan de wereld prijsgeven... dán zijn Spauwens verzen allerellendigst. Spauwen tussen de spouwmuur! Verdomd, nu word ik ordinair! Hoe kan het anders! Als Spauwen Amerika niet inkwam, dan zou ik Carter voor één keer gelijk geven."

Hierna heeft Boudewijn Büch geen bijdragen meer geleverd aan de homopers en in de loop der tijd zou ook zijn belangstelling voor de geschiedenis en literatuur van homo's steeds verder naar de achtergrond verdwijnen. Dat "bij de oprechtheid van Büchs homoseksualiteit en pedofilie [...] de nodige vraagtekens [kunnen] worden gezet," zoals Menno Voskuil voorzichtig oppert in Gay 2004, gaat mij echter te ver. Proefding was nu niet bepaald een tijdschrift dat een ruime verspreiding kende binnen de Nederlandse maatschappij en dat Büch al zó vroeg zó overtuigend aan zijn "persoonlijke mythe" werkte, kan ik me zelfs van een doorgewinterde mythomaan als hij steeds meer geweest blijkt te zijn niet voorstellen.








 




Comments:
Re: Re: Boudewijn Büch's en de homopers


by Anonymous on 11 september 2004
Boudewijn zocht naar beschermende liefde, naar de koestering van vaders en zonen. Homoseksualiteit was een nooit ingeloste belofte om die liefde van vrienden te krijgen, die dat kluitje in het riet vonden. Voor de boekenpolitie is die zoektocht verwarrend. Wil je de waarheid weten over zijn geaardheid, dan moet je je niet in zijn geschiedenis verdiepen maar in die tijd zelf en de historische agenda. In de jaren rond 1970 was de wereld cultureel in een enorme opschudding terecht gekomen. Wat gezegd en geschreven is in en over die tijd, zal nooit voldoende zijn om het narcisme te ervaren dat ons toen in elkaars armen dreef. Het narcisme van de vaders, die tot dan toe zich onaangetast waanden in hun patriarchaat. Het narcisme van hun zonen, van het autonome individu dat door dat pantser heen wilde breken. We waren allemaal op zoek naar een zomerliefde in familiekring en kwamen uit op sex, drugs en r&r. De wereld beleefden we als een groot grasveld. De liefde als een picknickmand. Wie je seksueel was, werd een publieke vraag. Je identificeren met homoseksuelen die zichzelf als ambigue lichaam maatschappelijk blootgeven, was eigenlijk hetzelfde als je identificeren met de klassestrijd of het feminisme of het oriëntalisme dat ook in die picknickmand zat. Wie je was of wat je was, was niet aan de orde als een vraag naar de ware ik. Het ging erom aan welke kant van het tumult je bevond. Een maatschappij die homoseksutaliteit als een rotte plek uit de appel van de samenleving wilde snijden, werd geconfronteerd met leven in die plek. Als je nu denkt dat die rotte plek is dat je eigenlijk geen homoseksueel was, maar dat voorwendde omdat je je in die kring beschermd wist dan snap je het zoals zij het snapten die de geur van het bestaan van homoseksuelen niet kunnen verdragen. Sirius



Boudewijn Büch's en de homopers

Comment:

Comment:
Your Name: ip 54.224.76.106















Topics:








In the New Issue of Gay News, 309, May 2017







Invasion
May 27, Undercurrent, Amsterdam













More from
More from Gay News- issue 150
More by Hans Hafkamp





Amsterdam Pride


Amsterdam Gay Pride

learn more |visit


Filmhuis Den Haag


Regelmatig gay-specifieke voorstellingen

learn more |visit















bottom image




Entire © & ® 1995/2017 Gay International Press & Foundation G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is a registered Trademark. © articles Gay News; duplication forbidden. Inclusion only allowed after written approval of the publisher, with clear source mentioning gay-news.com. Articles used by third parties will be invoiced and cashed where necessary. Gay News ISSN 2214-7640.
Follow Gay News:
RSS (dutch) Issuu
Subscribe
self-employed Escortboys
CMI
Contact us
Advertising